Delen uit Neef Wim zijn Bestaan

Het mooiste aan taal vindt Neef Wim de woorden. Hij hoeft ze maar op een rijtje te zetten en Neef zegt iets. Het mooiste is het als de woorden in het rijtje ook nog goed bij elkaar passen. Net als een rijtje speelgoedautootjes waarin de kleuren bij elkaar staan of alle auto's van hetzelfde merk bij elkaar. Bij Wim is dat lastig omdat hij van elk merk maar een autootje heeft, maar hij kan het zich goed voorstellen in zijn hoofd, dat toch al een beetje aan het duizelen is van al die woorden die erin liggen, klaar om gebruikt te worden. Soms vindt Wim dat een woord door al het gebruik een beetje gesleten is. Dan zoekt hij liever een ander woord.

Neef Wim droomt vaak. En meestal gaat dat over het varen met een boot. Als Neef zijn droom niet over varen met een boot gaat, dan droomt Wim zelfs liever niet. 'Dat hele gedroom hoeft voor mij niet meer', zegt hij in die gevallen 's morgens tegen zijn lieve Moeder, als die er tenminste aan gedacht heeft bij haar zoon te informeren naar de kwaliteit van zijn noodzakelijke nachtrust. In zijn droom is Wim de Kapitein van een grote boot. Alle matrozen staan op een ordelijke rij aan de railing, klaar om de reddingboten belangeloos overboord te zetten, want ongeveer halverwege de nacht dient zich meestal een drenkeling aan in Wim zijn droom. Daarna stopt de droom en begint het langdurige wakker liggen. 'Had ik maar een diploma', denkt Wim dan de hele tijd.

Neef Wim houdt van kunst. Hij is maar al te vaak te vinden voor de deuren van het plaatselijke museumpje. Wat zich daarbinnen afspeelt is een groot raadsel voor onze Neef. Hij stelt zich voor dat er overal aan de muren gekleurde platen hangen met duidelijk herkenbare afbeeldingen van bijvoorbeeld paarden of een bos. Wim houdt van bos en van paarden, dus dan zit hij wel goed. Zelf heeft hij een keer een tekening van een stuk hout gemaakt. Moeder zei dat de tekening goed gelukt was maar dat hij meer op de tekening van een stuk hout leek dan op een stuk hout.

Op een dag, toen er verder niets leek te gebeuren in de kleine wereld van Neef, zocht hij zijn moeder op in hun bescheiden woning. Hij begon op de zolder, waar hij gebukt ging door de stoffige balken die op ooghoogte bevestigd waren om de constructie van het huisje in stand te houden. Daar was zijn Moeder niet. Ook op het verdiepinkje daaronder, waar zich de slaapvertrekjes van Neef en zijn Moeder bevonden, was zij niet. Dan maar naar beneden! En jawel hoor, in de keuken, daar stond Moeder, met bezweet onderlijf in de enorme wasketel te roeren met de houten stok die zij ook voor boswandelingen zou gebruiken als zij een liefhebber van bos was geweest. Dat zij daar was, wist Neef Wim ook wel, maar hij wilde zijn Moeder zoeken, niet zomaar plompverloren naar haar toe lopen. Dan was de lol van het weerzien er meteen af.